Geschiedenis

De Engbertsdijksvenen

De Engbertsdijksvenen vormden van oorsprong één geheel met de venen van Vriezenveen en Bergentheim. Aan de noord- en west-zijde reikten deze venen tot de dalen van Vecht en Regge. Aan de oost-zijde liggen de Twentse stuwwallen van Geesteren en Tubbergen. Midden in dit veengebied ligt de enclave Sibculo op een hogere zandrug.

Ongeveer 9.000 jaar geleden ving de veenvorming aan in afvoerloze laagten. In de eerste periode van veenvorming ontwikkelde zich broekbosveen en zeggenveen onder invloed van hoge grondwaterstanden. Later kwam de hoogveenvorming op gang. Hoogveen bestaat uit ondermeer afgestorven veenmossen die in lagen worden afgezet.

Vanuit het klooster van Sibculo is het veen uiteindelijk in gebruik genomen door de mens. De namen Kloosterhaar en Paterswal herinneren aan deze periode. Vanuit het zuiden begon de ontginning door de bewoners van Vriezenveen. Inmiddels zijn de meeste venen in de periode 1850-1950 afgegraven, alleen de kern van de Engbertsdijksvenen kon worden gered. Het Natura 2000 gebied Engbertsdijksvenen omvat in totaal 1000 hectare

Natuurwaarden

De Engbertsdijksvenen zijn in ons land van grote betekenis door de aanwezige kern met levend hoogveen. Hoogveen ontstaat op die plaatsen waar het regenwater de belangrijkste factor is voor de groei van planten. Dit treedt  op op die plaatsen waar de moerasbegroeing in het water zo hoog is gegroeid dat de begroeiing alleen onder invloed staat van het voedselarme en vrij zure regenwater. Dat zijn de ideale plaatsen voor veenmossen. Er zijn veenmossen die vooral in het water groeien zoals het waterveenmos.  En er zijn veenmossen die vooral boven het wateroppervlak in veenbulten groeien zoals het roodgekleurde hoogveenmos.

Op deze bulten groeien daarnaast andere specifieke plantensoorten zoals lavendelheide, zonnedauw,  eenjarig wollegras en kleine veenbes. In de veenslenken groeien weer andere soorten als witte snavelbies.  Actieve  hoogvenen zijn thans zeer zeldzaam in ons land en behoren ook tot de prioritaire habitattypen binnen de Natura 2000 gebieden. Ook de 15 hectare grote centrale kern in de Engbertsdijksvenen wordt gerekend tot dit prioritaire habitattype actief hoogveen.

Door het creëren van voedselarme en permanent natte omstandigheden is het mogelijk om hoogveenvorming te laten plaatsvinden. In de Engbertsdijksvenen zijn waar mogelijk dijken aangelegd die het regenwater moeten vasthouden. In dit water start de hoogveenvorming met een begroeiing van vooral waterveenmos. In de Engbertsdijksvenen liggen veenbossen  die ook tot een prioritair habitattype worden gerekend. Veenbossen liggen op de uitgeveende zandbodems in het zuidelijk deel van de Engbertsdijksvenen. Het mooiste vorbeeld bestaat uit kwijnende zachte berk, met veenmossen en eenjarig wollegras. Bijzonder is hier de slangenwortel , die vanuit poelen steeds verder het bos in groeit. Op en rond de venen liggen droge tot vochtige heidebegroeiingen met struikheide,kraaiheide en dopheide.

De veenplassen vormen een geschikte broedplaats voor geoorde fuut en dodaars,waarvan waarvan soms enkele tientallen paren geteld worden. Tijdens de winterperiode is er een grote slaapplaats van toendrarietganzen in het gebied (soms 10.000 exemplaren). Ook trekkende kraanvogels blijven af en toe in het gebied rusten, een voor ons land zeldzaam verschijnsel. In het gebied broeden ook enkele paren nachtzwaluwen, vele tientallen roodborst-tappuiten en een enkel paapje. In de winter komen blauwe kiekendieven slapen in het veen en is het beeld van een klapekster op een eenzame den of berk karakteristiek.

In de Engbertsdijksvenen leven heikikkers, waarvan de juvenielen regelmatig als prooi dienen voor jonge adders. Voor adders vormen de Engbertsdijksvenen een kerngebied. De levenbarende hagedis is er een algemene verschijning en incidenteel wordt de gladde slang er waargenomen. In de voedsel arme vennetjes treffen we ook de poelkikker aan. In de paartijd zijn de felgroene mannetjes herkenbaar aan de gele zweem over de kop.

Beheer en ontwikkeling

Sinds de eerste aankopen in de jaren vijftig van de vorige eeuw zijn matregelen genomen om het regenwater meer vast te houden. Voor veengroei is het essentieel dat een hoge en stabiele waterstand over het jaar wordt gerealiseerd. Daarvoor zijn veendijken door het gebied aangelegd en afwateringen gedempt. Twee oude wegen zijn bekleed met folie en daarna afgedekt met veen. Door de landbouwkundige ontwateringen in de omgeving  treedt ondergronds waterverlies naar de omgeving op. Dit is een probleem dat in de toekomst aandacht zal krijgen. Het Geesters Stroomkanaal stroomt aan de zuidzijde langs de venen. Dit kanaal ontwatert de laaggelegen kom achter Langeveen. Door de diepte heeft het kanaal ook een grote invloed op de waterhuishouding  in de Engbertsdijksvenen.

De seizoenen

Elk seizoen geeft een eigen kleurenpalet dat gevormd wordt door een geheel van wolkenlucht, veenplassen, veenmossen, berken, gagel en heidesoorten met als bindende factor pijpenstrootje in diverse kleurtinten van groen naar lichtbruin. De weidsheid en rust maken indruk. En dat alles met een nauwelijks verstoorde horizon.

In het voorjaar en de zomer zijn er broedvogels als blauwborst, roodborsttapuit, geoorde fuut, wielewaal en geelgors. Van de planten valt vooral het witte vruchtpluis van eenarig wollegras en veenpluis op.

In de zomer jaagt de boomvalk actief op grote libellen. Langs de wandelpaden groeit zonnedauw en witte snavelbies.Ook is de levendbarende hagedis te vinden. Alleen in het vochtige zuidelijke gebied groeit de slangenwortel.

In de late herfst is er kans op overnachtende en doortrekkende kraanvogels. In het gebied overnachten ’s winters grote aantallen rietganzen  die overdag in de wijde omtrek foerageren. Andere wintergasten in het gebied zijn blauwe kiekendief, eveneens op een gezamenlijke slaapplaats en klapekster.

Tekst: Brochure KNNV

 

De Engbertsdijksvenen (ook wel ‘de Pluus’ genoemd) is een natuurgebied in Overijssel, bij Kloosterhaar ten oosten van Westerhaar-Vriezenveensewijk tegen de Duitse grens. Het gebied is in beheer bij Staatsbosbeheer. Het is ongeveer 1000 hectare groot.

Er zijn uitgestrekte veengebieden met heideterreinen en vennen. Het is een restant van het grote veenmoeras dat ooit het noordoosten van Nederland bedekte. Omdat het één van de weinige plaatsen in Nederland is waar nog actief hoogveen te vinden is, wordt het aangemerkt als van grote natuurwaarde. Het gebied maakt deel uit van het Europees netwerk van beschermde natuurgebieden: Natura 2000.

Op korte afstand van elkaar liggen verschillende landschappen. Het gebied kent duidelijke hoogteverschillen. De zandige hogere delen worden haren genoemd, de hoogste zijn bedekt met bos. Het toponiem komt geregeld voor in dorpsnamen in de omgeving zoals Kloosterhaar, Westerhaar-Vriezenveensewijk en Bruinehaar. In de 15e eeuw begonnen de monniken van het klooster in Sibculo met de afgraving van het hoogveen.

In de Engbertsdijksvenen bleef de invloed van de mens tot in de 19e eeuw beperkt tot het weiden van schapen, enige boekweitcultuur en kleinschalige turfwinning voor eigen gebruik. De koloniale vervening met de bijbehorende optrekkende verkaveling heeft plaatsgevonden in de periode 1850-1950. De aanleg van de kanalen en wijken (1890-1895) gaf de aanzet voor grootschalige vervening vanuit Vriezenveenschewijk het latere Westerhaar-Vriezenveensewijk. Door deze vervening op grootschalige voet heeft het natuurgebied een groot deel van zijn huidige unieke karakter gekregen. Mede hierdoor zijn er nu ook grote plassen open water in het gebied te vinden.

 

bron: wikipedia