Geschiedenis

De Engbertsdijksvenen (ook wel ‘de Pluus’ genoemd) is een natuurgebied in Overijssel, bij Kloosterhaar ten oosten van Westerhaar-Vriezenveensewijk vlak bij de Duitse grens. Het gebied is in beheer bij Staatsbosbeheer. Het is ongeveer 1000 hectare groot.

Er zijn uitgestrekte veengebieden met heideterreinen en vennen. Het is een restant van het grote veenmoeras dat ooit het noordoosten van Nederland bedekte. Omdat het één van de weinige plaatsen in Nederland is waar nog actief hoogveen te vinden is, wordt het aangemerkt als van grote natuurwaarde. Het gebied maakt deel uit van het Europees netwerk van beschermde natuurgebieden: Natura 2000.

Op korte afstand van elkaar liggen verschillende landschappen. Het gebied kent duidelijke hoogteverschillen. De zandige hogere delen worden haren genoemd, de hoogste zijn bedekt met bos. Het toponiem komt geregeld voor in dorpsnamen in de omgeving zoals Kloosterhaar, Westerhaar-Vriezenveensewijk en Bruinehaar. In de 15e eeuw begonnen de monniken van het klooster in Sibculo met de afgraving van het hoogveen.

In de Engbertsdijksvenen bleef de invloed van de mens tot in de 19e eeuw beperkt tot het weiden van schapen, enige boekweitcultuur en kleinschalige turfwinning voor eigen gebruik. De koloniale vervening met de bijbehorende optrekkende verkaveling heeft plaatsgevonden in de periode 1850-1950. De aanleg van de kanalen en wijken (1890-1895) gaf de aanzet voor grootschalige vervening vanuit Vriezenveenschewijk het latere Westerhaar-Vriezenveensewijk. Door deze vervening op grootschalige voet heeft het natuurgebied een groot deel van zijn huidige unieke karakter gekregen. Mede hierdoor zijn er nu ook grote plassen open water in het gebied te vinden.

 

bron: wikipedia

Engbertsdijksvenen
Recente reacties